Richard VII
Den Laatste Zuiveren en Zijn Spijswetten
- En het geschiedde dat den wereld voor veele stervelingen een zeer onaangename plaatsch werd om te vertoeven. Oorlog, pestilentie en intermenselijke onverdraagzaamheid maakten den jongeling bij zijn geboorte reeds beklagenswaardig. Den dwaalreligies brachten geen vrede.
- Want het Verbond met God was verloren, tezamen met den richting en het doel dat het Verbond aan het menschenleven gaf. Hierdoor Rookte den mensch bar weinig, en wanneer hij Rookte, was het niet meer dan een kettersch roken, want den mensch was dwaalende.
- En den dwaalende mensch zocht naarstig naar eenen betere plaats om te toeven, om alzoo den pestilentie en den oorlog te ontvluchten. En den dwaalende mensch vervaardigde zich hiertoe houten schuiten die natte voeten en het zinken in den diepe wateren zouden voorkomen.
- Want den mensch heeft eenen aangeboren aversie tegen water. Het lopen gaat den mensch van nature af, maar het zwemmen moet den mensch leren. Zijn doden vertrouwt den mensch toe aan het Vuur, maar des menschen doden worden niet aan een trog water toevertrouwd. “Water heeft den mensch van node om te overleven” zegt u? Beziet uw overlevingskansen wanneer u uw water niet kookt op het Vuur alvorens het te nuttigen. Ook u zal de pestilentie treffen, en uwen tanden zullen veele beeschtjens tot een huisch zijn.
- Het verlies van richting en doel bracht den dwaalende mensch onverhoopt over grote verzamelingen water, en den oceanen die den landmassa’s scheidden verwerden tot eenen doorwaadbaren ondiepte waarover men zijn geheelen hebben en houwen kon medetorschen.
- En het was hier, aan den overzijde van Gods aangebrachte scheiding tusschen den landmassa’s, dat den dwaalende mensch een volk aantrof dat in voortvarendheid en waardeering voor het Leven als gegeven door God dichter bij Zijn bedoelingen leefde dan eenig volk op aarde.
- Rechtschapen waren zij, onder wetten die werden erkend omdat zij waren eerbiedigd door de voorgaande generaties, zich beroepend op den Eersten. Wetten die conformeerden aan den logica, en dus niet anders dan afkomstig van God konden zijn. Milde wetten, waaraan een ieder zich onderwierp, en zich daarin geborgen zag zonder daarbij onder zijn eigenen de afdwingers en verraders te vinden.
- Zeer verschillend waren zij, sommigen zwervend, anderen honkvast. Sommigen levend van vleesch, anderen van de vruchten den bosschen voortbrachten. Sommigen met een woest voorkomen, anderen verfijnd en met eenen voorkeur voor louter den Bisontong. Sommigen woonden in steden, anderen in tentendoeken verplaatschbare kegels. Diversiteit en specialisatie naar de gegeven omstandigheden, precies zoals God het met zijn Schepping had bedoeld.
- Deeze volkeren nu waren afkomstig van enkelen die zich de nakomelingen van den Eersten mochten noemen. Onder den ijzige aanval van den Booze op Gods aarde waren zij niet op den vlucht geslagen, maar hadden zich teegen den Koude bewapend, en waren den bevroren weereld ingetrokken. Gewapend met, en gewarmd door Gods Vuur wischten zij het Leven te behouden in den ijzige weereld van den Booze.
- Tot op den hoogste noordelijke landbruggen hadden zij zich verschanscht, en hadden het wapen van den Booze tegen hemzelf gekeerd. Over den bevroren zeeën hadden zij hun toevlucht gezocht op nieuwe gronden, en brachten de Teekenen van Gods Verbond met zich mee naar nieuwe plaatschen.
- En God zag neder op deze menschen, en werd terstond overvallen door een olijke bui. En Hij beloonde hun volharding door hen den weg te wijzen naar warmere oorden Zuidwaarts. Zij zakten af naar deeze oorden, en bewaakten het Verbond in hun rituelen.
- Ook onder deze menschen bracht den Tongval zijn schade aan. Maar zij eerbiedigden Hem en leefden naar Zijn plan. Vuur gebruikten zij om den aarde vruchtbaar te maken, en uit den As hun voedsel te verbouwen. Rook gebruikten zij om over grote afstanden den gevolgen van den Tongval te overbruggen. Zij namen niet meer dan nodig wAs om hun buiken te vullen.
- En zoo leefden deze Laatste Zuiveren naar Gods plan. Bij het daglicht leefden zij dankzij Rook, Vuur en As, en bij den manenschijn eerden zij Rook, Vuur en As.
- En wanneer den aarde het aangezicht waarop de Laatste Zuiveren woonden had afgewend van den zon, kwamen Zij tezamen rondom het Vuur. Daar keuvelden zij met elkander, en Rookten, en hadden schik. En het Leven was heilzaam.
- Het Leven was zo heilzaam, dat zij van den pret veren in hun haren staken, en hunner gezichten beschilderden met evenveel kleuren als het geurenpalet der Rook rijk is.
- De Laatste Zuiveren kenden geen oorlog, zoals dat in den ontaarde en door den ijzige Booze geteisterde wereld bestond. Onderling ongenoegen werd na een potje schobbejakken met pijlen, boogen en bijltjes door den Laatste Zuiveren opgelost door middel van het Gebod van God: “Rookt, in nagedachtenis van mijn schepping, en het zal u wel gaan”. Onderlinge wrevel werd rond het Vuur beslecht door het Roken eener Vredespijp. Wanneer den Tabak tot As was vergaan, was den vriendschap reeds geslooten.
- Vriendschap tusschen menschen, zoals den Goede God den vriendschap tussen Hem en den mensch had beoogd, en zoals den Goede God, Onze Eeuwige Makker, nog immer beoogt. Laat ons daarom Roken, opdat den Vriendschap en Vrede tussen God en den mensch, en tussen den menschen onderling hersteld worde.
- Maar wee, nimmer voldoende beklaagde Laatste Zuiveren, wee gij Gelukkigen in den Heer, doch zoo Ongelukkig in uw lot, wee gij Beproefden en gij Beweenden!
- Den arm van den IJzige was lang, en voer mee over den wateren op de schuiten van de door den Tongval geteisterden. Den dwalende mensch met droge voeten, overgevaren uit den door pestilentie ende oorlog getroffen weereld, troffen den Laatste Zuiveren in Vrede levend, en Rokend in het land van overvloed en ruimte.
- En den arm van den IJzige was vol wroeging, kift ende gramschap, want den Boze is eenen slecht verliezer. Hij heeft het niet kunnen verkroppen dat Onzen Goede God den Laatste Zuiveren onder Zijn leiding naar het land van overvloed bracht, en hier Rookten en keuvelden in vreede rond het avondVuur.
- En vanaf den houten schuiten van den dwalende mensch zond den Boze met zijn Oostenwind de kiemen der pestilentie, nog voor de schuiten de groene kusten van het land waar de Laatste Zuiveren woonden hadden bereikt.
- En de Laatste Zuiveren, ongewapend tegen den pestilente kiemen, vielen in grote getalen ten prooi aan de wraak van de Boze. Toen den dwaalenden vanaf hun schuiten de landen der Laatste Zuiveren betraden, vonden zij halfbewoonde steden, verzwakte volkeren, en families zonder ouderen en nazaaten.
- En het geschiedde, dat de varkens die den dwaalenden hadden meegevoerd op hun schuiten ter vermaak en ter verorbering, van den schuiten uit hunner ketenen braken.
- En den varkens bewroetten den oogsten en den gronden van den Laatste Zuiveren, den oogsten verschransend, en het ingezaaide zaad kreeg geen kans meer om te groeien door den woelende werking der natte varkensneuzen.
- Honger kwam over den overgebleven Laatste Zuiveren, en hun aantal was in enkele wendingen der planeet rondom den zon verminderd tot tienden van wat zij wAs.
- Het is in deezen tragische historie geworteld dat de Goede God der Eenige Ware en Universele Kerk der Rokers zijn Gelovigen vraagt om éénmaal per week den Laatste Zuiveren te herdenken.
- Opdat den band tusschen Zijn Schepping, den Verdrijving der Eersten door den Booze, het Behoud der Laatste Zuiveren uit zijn Koude klauwen, en hunner ondergang door den laffe aanval van den Booze in eere worde gehouden door het gebruik der Nieuwe Zuiveren onder leiding van Zijne Eminentie De Rooksteker (VZhV*), het varkensvlees éénmaal per week te mijden tot op den tiende ure van de dag die het Vuur waaraan het leven op deze planeet zich doet ontwaken en slapen in zijn naam eert.
- Eert Hem daarom, maar laat ons vooraleerscht Roken, opdat wij Hem mogen danken voor Zijn gegeven Weetenschap, want den pestilentie die den Laatste Zuiveren omlegden vereischt in het heeden niet meer dan een zakdoekje en eenen uitgeperste appelesien. Rookt daarom in nagedachtenis van hen die het Leeven lieten door den pestilentie. Rookt, opdat u weet dat uw jaren vele zijn, en den pestilentie is bedwongen door Zijn Weetenschap.
- Prijs ‘M, en prijs ‘M niet zuinig!
*Addendum: “Velen Zullen hem Volgen”.