E-mailadres: info@rokerskerk.nl
Postadres: Postbus 3977 1001 AT Amsterdam
Telefoon: 084 - 83 64 344
Fax: 084 - 83 64 344
welkom | over de kerk | inspiratie | statuten | lid worden | BELGIE ONDER VUUR | contact

Richard V

Over Gods verhouding tot den dwaalende mensch


  1. En het heeft Onzen Goede God behaagd den mensch lange tijd zijn zelfgekozen weg te laten bewandelen.
  2. En hij maakte zich vrolijk over het menschelijk onvermogen een fatschoenlijke religie conform Zijn wensen in elkaar te schleutelen, en sloeg zich op Den Knieën van de Pret. Maar wanneer den mensch Hem bewoog tot gruwelen, verpoosde Hij elders in Zijn Universum, en dacht met bulderende gedachten: “Zoekt het dan zelf maar uit. Ik heb het nu vaak genoeg uitgelegd.”
  3. Den mensch moest zich ten diepste schamen voor het in den prut der vergetelheid laten zakken van het Heerlijke Eerbiedigen van het Verbond met God! Rookt in vreugde, Gelovige, en Rookt er daarna eenen voor uw zondige medemensch, wier ongehoorzaamheid een hardnekkige schandvlek op Zijn Schoonheid dezer Schepping is.
  4. Want is ’s menschen onderlinge gelaazer niet begonnen toen zij het Verbond met God uit hunner geheugen van den korte, lange en alle tusschenliggende termijnen banden? Was het voor den Tongval niet goed toeven op Gods aarde? Was het verliezen van den Eerbied voor Gods Rookgebod voor ’s menschen zielenheil niet het startschot voor het niet aflatende geklier ende gericht schieten hier op deez’ aard?
  5. Niet zonder gewortelde redenen luidt den Derde Gelofte der Enige Ware en Universele Rokerskerk van God: “Ik Zal Altijd Mijn Medegelovigen Helpen met Rookwaar en Vuur of een Asbak."
  6. Beminde Gelovige, raakt dezen Gelofte niet aan den kern van het utopisch verlangen der mensheid, den weereldwijde vrede? Ligt den weereldvrede dan onbereikbaar opgesloten in Utopia?
  7. Om den dooie donder niet, onvolprezen MedeRoker, niet wanneer Gods Verbond den mensch bindt! Den mensch zal geen behoefte meer ondervinden elkander onheil te berokkenen, elkander te pijnigen of af te slachten, of elkander op soortgelijke wijze zonder beschaafde omgangsvormen te bejegenen, wanneer den menschen als Broeders en Zusters in het Eenige Ware Geloof van elkander afhankelijk zijn in de ontbranding van eenen noodzakelijk Religieus Rokertje op Zijn tijd. Neen, dien behoefte zal vervliegen als eenen kwaadaardigen zaadpegel uit ’s Bozen ijzig lid voor een warm opgestookt Vuurtje.
  8. Het was onder deeze voorwaarden dat God den mensch het Leven en den Spraak heeft verleend. Mocht God met den mensch geen speciaal plan hebben gehad, dan had Hij Zijn Verbond in Rook, Vuur en As wel met den insectoïde of arachnoïde varianten van Zijn Aardsche kostgangers gesloten. Daar zijn er tenslotte veel meer van. En die werken beter tezamen.
  9. Maar God wAs vertederd door den zoogdiertjes; want zij waren harig, zorgzaam voor den kleintjes, en levendbarend. Bovendien is het den kakkerlak, het lieveheerschbeestje (waarvan den denominatie niet verwijscht naar Onzen God, maar naar een hersenschim eener dissidenten des Romeinsche Republikeinsche Kolonieën die na 40 dagen zonder voedsel in de woestijn in een delirium verviel. Het arme vliegtorretje moet deze onrechte verwijzing helaas door zijn kort bestaan meetorschen, en doet sindsdien verwoederende pogingen zich te vermommen als paddestoel), of den spin wegens zijn door God gegeven grootte een onmogelijke opgave het religieus Roken aan te vatten.
  10. God verkoosch den mensch.
  11. Maar den mensch, op zijn beurt, verkoosch God niet. Den mensch vergat zijn Verbond met Hem.
  12. En dat was God eenen gruwel.
  13. Maar hoe is onze God dan weer, ook al zoekt Hij zijn Vertier in den andere deelen van Zijn Universum? Laat hij den mensch crepeeren, en aan zijn eigenwijze, door zichzelf uitgestippelde lot over? Weederom een ferm “Neen!”, lieve Gelovige. Onzen God is eenen Grooten Goedzak,  want sinds den Tongval waren Zijn Teekenen hier op Zijn en onzen aarde.
  14. Evenals in de Tijd der Geschubden, die God van het aangezicht der aarde heeft geveegd, geeft hij ons den Teekenen Zijner aanwezigheid. Stijgt het Vuur niet immer op uit de schachten der aarde? Kleurt zijn Rook den hemel niet, en leven grote groepen menschen niet zeer gaarne op de flanken der Vulkanen vanwege de grote vruchtbaarheid der Aslagen?
  15. Vallen Zijn handreikingen aan de herleving van het Verbond tussen God en den mensch, den veelzijdigen en in heerlijken geuren variërende Heilige Rookartikelen, weg te denken uit den historie der menschheid? Is het Heilige Rookwaar is niet het door Zijn mensch in al zijn voorkomende kleuren, lengtes en eetgewoontes het meest geconsumeerde genotsmiddel, geliefd in den oorlog en den vrede, in den haat en den liefde, in den arbeid en den ruste? Hoevelen op deeze wereld sluiten het ritueel der voortplanting niet af met een Rokertje, ter overpeinzing van het zojuist gepresteerde, of in voorbereiding op een herhaling?
  16. Alleen den blinden zullen Zijn Teekenen niet zien. Maar ook met den blinden heeft God rekening gehouden. God heeft den Rook alzoo geschapen dat deze goed is te ruiken. En welk een geurenpalet heeft Den Rook! Bij wat Den Rook aan Geuren herbergt, verschraalt den regenboog in fletse tinten!
  17. En daarom is ’s menschen handelen een gruwel bij God. Hij heeft den mensch verkozen boven alle wezens tot Zijn Uitverkorenen. Hiertoe gaf Hij den mensch Rede en wijschheid, opdat hij Zijn universum zou doorzien, Weetenschap zou bedrijven, en Zijn Teekenen zou verstaan.
  18. Nu zal den ongelovige denken: “Als God God is, waarom heft hij Zijn gruwel dan niet op, en stopt het lijden der menschheid? Waarom daalt Zijn Vrolijkheid en Toffe Rechtvaardigheid dan niet neder tusschen den menschen, zodat deeze hun blasfemische levenswandel vol destructieve gevolgen kunnen eindigen? Waarom laat Hij niet ieder mensch Roken, als hij God is?”. Een uitputtende denkoefening voor een ongelovige, daar ongelovigen en aanhangers der wildgroeiende religies doorgaans niet uitblinken in denken, want bij het niet-denken en volgzaam accepteren gedijen de lossefloddertheologieën.
  19. Het zijn veelgehoorde vragen, fijne Gelovigen, maar dit zijn vragen aan de verkeerde god. Vragen die voortkomen uit het aangenomen bestaan van dwaalgoden, hersenschimmen en eeuwenoude verzinsels. Deze vragen aan loerdraaiende breinconstipaties, die eeuwenlang wisten te volharden door overleveringen van ongeletterden en onwijzen, leveren lange theo-onlogische verhandelingen op over predestinatie, infralapsarisme, martelaarsschap, lijnbusladingen vol maagden, zuiverende vagevuren en zinloze sacramenten, worden gesteld door knoopverstanden en mistgeesten.
  20. Het antwoord dat Onzen God aan ons openbaart, mochten wij geneigd zijn zulke brutale vragen te stellen aan den Schepper van AlleS en meer, luidt: “God is dan wel God, maar niet gek”. Hij gaf ons den Gave der Spraak, den Rede, Zijn Teekenen van Zijn Aanwezigheid op aarde, en den moogelijkheid tot een gebroederlijk aardsch leven onder het genot van het eeren van den Drie-Eenheid van Rook, Vuur en As. Den mensch koos echter andersch, en God blijft niet bezig. Den aarde is klein, en Zijn Universum is groot. Hij verkiest het niet om voor kleuterjuf te speelen.
  21. Aanschouwt hier wederom Zijn onbetwistbaar Gelijk, beminde geloovige. Onzen Goede God openbaart Zich in Waarheid en in klare taal. Zijn uitspraken zijn door den mensch toetschbaar door Zijn gegeven Rede en Weetenschap. Opdat den Gelovige weet dat Zijn woord waar is, en den ongelovige zich bekeert.
  22. Aanschouwt den Waarheid van de Enige en Universele, in dezen verzen met nadruk op het Universele, Rokerskerk van God! En met den vanzelfsprekenden nadruk op Onzen God!
  23. Want zijn niet den valsche religies tot in de haarvaten hunner bestaan in strijd met den vooruitgang van Gods gegeven Weetenschap? Is deezer dwaalers door den Tongval veroorzaakte schijnzekerheid niet in groeienden lachwekkendheid in conflict met den ontboezemingen van Gods gegeven logica? Hebben deezen flierefluiters in den volharding hunner dwarrelstellingen zich in den aanschijn van Gods Weetenschap, reedsch niet in zoveele bochten en knopen gewrongen, dat hun kop ende kont niet meer te onderscheiden waren?
  24. En is dit onderscheid van deeze Ongelovigen hunner aangezicht ende zitvlak voor den Ware Gelovigen niet al zeer moeilijk te maken, daar deeze een treffende gelijkenis vertonen? Beide lichaamsdeelen verwerpen het Heilige Rookwaar in hunner van God gegeven holten, niet?
  25. Zij zullen wenschen dat zij het Goede Rookwaar in hunner lichaamsholten hadden verwelkomd, wanneer zij ’s Boozen ijzigen vingernagelen in hunner openingen moeten verwelkomen.
  26. Prijst Hem! Laat ons ten andermale Roken!