E-mailadres: info@rokerskerk.nl
Postadres: Postbus 3977 1001 AT Amsterdam
Telefoon: 084 - 83 64 344
Fax: 084 - 83 64 344
welkom | over de kerk | inspiratie | statuten | lid worden | BELGIE ONDER VUUR | contact

Richard IV

’s Menschen verstrooiing en de verschrikkelijke gevolgen daaruit ontsproten zijnde


  1. En den mensch nu werd door den ijzigen aanval van den Booze verstrooid over den aarde, en raakte verstoken van Gods wetten en Zijn Teekenen des Verbonds. En in groepjes verspreidde den mensch zich over den Aarde, en Broeders werden vreemden.
  2. De tongen der menschen verloren Gods gave der Spraak en vervingen deze voor een eigen geluid. Den menschentaal ontstond hieruit in mooie en minder mooie verschijning, met zoete maar ook anti-peristaltische klanken.
  3. En de menschen weeklaagden, want zij waren den Nabijheid van den Goeden God verloren.
  4. Enkelen wischten zich nog flarden te herinneren waarvan de Voorvaderen hadden verhaald bij het vallen der nacht rond het Heilig Vuur, en probeerden uit hunner herinnering den band met den Goeden God te herstellen.
  5. De arme verjaagden wisten nog wel dat het ietsch van doen had met Rook, Vuur en As, maar de door den koude Duivel verdreven nakomelingen hadden den Rook wel gezien, doch wischten niet waar het Vuur zich bevond. Den taalverbasteringen maakten een juiste leezing van den Overleveringen der Oudsten schier onmogelijk.
  6. Maar den mensch volhardde in het proberen, en alle nakomelingen der Eersten en hun kinderkens gaven hun eigen vorm aan den flarden hunner herinnering over het Heilige Verhaal van Rook, Vuur en As.
  7. Doch het ware Verhaal, zoals hierboven in zijn pracht en Waarheid te lezen valt in de door den Groten Rookganger gezonden Openbaringen, raakte door den verschillende menschentalen zijn schoonheid kwijt, en den nieuwe talen vulden de gevallen gaten in met hun eigen onzuiverheeden. En Gods Waarheid werd meer en meer ’s menschen onwaarheid, en den mensch viel in zonden, en Rookte niet meer om God en het Leven te eren.
  8. Het verlies van het Verbond met God, door ’s menschen taal van valsigheeden en onwaarheden voorzien, door het uiteenvallen van de gebroederlijkheid door het kwaade handelen des Boozen IJzigheid, wordt herdacht als den Tongval. Eenen zwarte dag in ’s menschen geschiedenisch, en eenen zwarte dag in Gods Paradijs; En Hij baalde hevig om ’s menschen lotgevallen.
  9. En zoo geschiedde het, dat Gods menschen op aarde verdeeld raakten.
  10. En veele dwaalreligies werden nu geboren, waarin de Rook en het Vuur misplaatste rollen kregen toebedeeld. Zoo heeft het kunnen ontstaan dat de van God verstoken dwaalgelovige de Rook liet ontstaan uit brandoffers, uit wierook, door rituele zelfontbranding, door ketterverbrandingen of uit platgebrande steden, en al wat dies meer zeide.
  11. Het Vuur werd op blaschfemische wijze in den gebedshuizen der dwalers misbruikt; Het Vuur werd hier ontstoken, een gebed werd hier gepreveld, maar de dwalers verzaakten hierbij hun Rookwaar te doen ontbranden, opdat de Rook ten Hemel stijge en de As achterblijve als Teeken van Gods Vruchtbaar Verbond met den mensch.
  12. En den mensch bleef naarstig speuren naar invulling van het Brandende gevoel van verlangen tot spirituele bevrediging, maar vond zijn Teekenen van het Verbond met den Goeden God niet meer terug. Zoeken op verkeerde plaatschen leidt zelden tot vinden van het Goede.
  13. De Enige Ware en Universele Rokerskerk van God verbaast zich dan ook niet over het bestaan van een ontelbaarheid aan dwaalgelovigen; Den mensch heeft op veele plaatschen gezocht, en het zoeken moede geraakt zich tenslotte nedergevleid bij willekeurige surrogaatreligies. Want zonder inhalatie van de instructies van onze Fijne God is den mensch in staat zich veele onwaarheden als waarheid eigen te maken. Zeker wanneer de nagebuurten medekijken ende oordeelen, en nog zekerder wanneer de zichzelf voortplantende menschen als in ijsch bevroren opvattingen ontvouwen ten aanzien van hun kroost.
  14. Zoveele verschillende wegen werden geplaveid naar de herleving van het Verbond met God, en zoveele wegen werden bewandeld door de dwaallichten der ontaarde religies, dat de wegen elkaar onvermijdelijk moesten kruischen.
  15. De tochten over deeze verschillende wegen der zwevende religies, en hunner (on)verm(aled)ijdelijk kruischen met elkander , zijn bekend geworden als den Kruischtochten.
  16. Hier toonden den dwaalreligies waartoe den mensch wordt bewoogen zonder den Alziende Leiding onzer Goeden God. Zo radeloos waren den volgelingen der dwaalreligies, dat zij elkander den hoofden van den rompen sloegen, elkander opknoopten aan hunner ingewanden, elkanders kinderen ter slavernij namen, en elkanders vrouwen tot het lichtekooischap dwongen. Ook schreeuwden zij elkander vieze woorden toe, Gods schepschelen niet waardig.
  17. Dit alles was Onze Goede God een gruwel. Zijn schepschelen, eensch broeders, allen voortgekomen uit Zijn vertedering voor een klein harig diertje na Zijn vernietiging der Geschubden, misbruikten Zijn gave van het Vuur om te plunderen, en misbruikten Zijn gave van de Spraak om op te ruien en vieze grappen over elkaar te maken.
  18. En God, als licentiehouder van de Humor, houdt best van een gebbetje op zijn tijd, maar om vieze grappen over zijn menschenkinderen waarin achteruitgangen centraal staan, voorzeker, daarmede kan Hij niet lachen.
  19. Het is onze Goede God nog immer een gruwel, daar den Kruischtochten nimmer als praktijk tot een einde gekomen zijn. En vieze grappen over achteruitgangen worden ook heden nog steeds gemaakt. Wacht u, ongelovige, wanneer den Kouwe Duvel uw achteruitgang bewerkt als poenaal voor uw ontkenning van de God van Rook, Vuur en As. Het lachen zal u gezwind vergaan!
  20. Een gruwel, beminde gelovige, u leest het goed. Onze Goede God, schepper van alles wat wAs, is en komen gaat, heeft gruwelen. Jawel!
  21. Onze Goede God heeft namelijk geen last van looze en verwarrende pretenties ten aanzien van alomtegenwoordigheid, almacht en alwetendheid. Onze Goede God toont ons slechtsch dat Hij een ieder in Sympathie overstijgt, want hij heeft als eerschte al het moois geschapen, en daarna den mensch geschapen om al Zijn moois niet in zijn Goddelijke Eentje te ervaren, maar dit te kunnen delen.
  22. En hierover te keuvelen.
  23. Maar den mensch krijgt al dit mooisch niet zoomaar. Hij, en niet te vergeten zijn onafscheidelijke metgezelinne Zij, moeten er wel ietsch voor doen.
  24. En ook al geldt in den Hemel: “Oneindigheid, Eeuwigheid, Thuis Gezelligheid!”, ook in Onzen Goeden God Zijn Domocilie tickt het spreekwoordelijke klokje wel eens richting den tijd voor het kruischje op ieders huischje. En dus gaat er wel eens eenen gruwel door Zijn Grootheid, wanneer Hij ’s menschen gang beziet.
  25. Maar, Goede Gelovige, Onzen Goede God Zijn reikwijdte is grooter dan den mensch met zijn oogen en aanverwante optische hulpstukken kan waarnemen. Onze God schiep Zijn Universum tot Zijn Eigen genoegen, en beperkte zich niet tot één aarde.
  26. Onzen Goede God heeft dus elders in Zijn Universum meer bezigheden die Hem kunnen vermaken, wanneer den mensch op aarde den pret voor zichzelf weet te bederven.
  27. Aanschouwt den onoverkomelijke waarheid van Gods openbaringen, en ziet hoe Gods Vulkanen Roken op planeten, exolichamen en manen, en Zijn aanwezigheid in het Universum aan ons tonen!  En ziet hoe het menschelijk ontdekken, Gods gave der Weetenschap, deze zaken ons ter bevestiging van Zijn Weezen aan ons ontvouwt.
  28. Laat ons daarom Roken! Prijst Hem tot u niet meer kunt!