Richard III
Den tweeden Schepping, Gods Goedheid
- En het geschiedde, dat God den aarde aanzag, en den aarde was geblakerd en getekend door een grote krater. Het zondige leven was door zijn Vuur verzengd.
- En ziet, een klein harig schepscheltje stak haar neus van onder het verschroeide oppervlak. Dit schepscheltje had geen schubben aan haar lichaam, en wierp haar kroost levend. En het schepscheltje zoogde dit kroost aan haar borsten, en warmde het met haar lichaam. Het at van de vruchten uit de As ontsproten, en maakte een holletje in de As tot haar huis.
- En dit ziende, werd den Goeden God met innerlijke ontferming over het schepscheltje geroerd, en hij weende zachtjes. En God zag een grootse toekomst voor den nakomelingen van het schepscheltje, en hij noemde het zoogdier.
- En God nam het schepseltje in zijn hand, en sprak teder: “Ach Gutteguttegut, doe ’s piep? doet-ie piep?”. En het geschiedde dat het schepseltje zijn Maker herkende, en sprak deemoedig: “piep”. En God werd door groote tederheid bevangen.
- En God sprak: “Evolueer Uzelve!”.
- Aldus geschiedde.
- En de nakomelingen van het schepscheltje waren onderling zeer verschillend. Bij Sommigen groeide een grote slurf, bij anderen slechts een kleintje en met een andere functie. Sommigen bewoonden de bomen, anderen begroeven zich in de As van de aarde. Enkelen namen een ongeschikte configuratie aan, zij overleefden den tand des tijdsch niet. Maar de parel onder de Kinderen van het harige schepscheltje was het diertje mensch.
- Dit diertje was in Gods Ogen de kroon op Zijn Schepping, met name de vrouwelijke exemplaren konden Zijn Lendenen tot in het Oneindige in Vuur en Vlam zetten toen het diertje de vacht begon af te werpen. De gladde rondingen brachten God in vervoering, en Hij zeide: “dat heb Ik mooi gedaan.”
- Den mensch kon Onzen Goeden God dermate bekoren, dat Hij dacht: “Hier heb Ik het allemaal voor gedaan. Den mensch wordt Mijn aanspraak in dit universum. Met den mensch ga Ik keuvelen.”
- En God koos twee goed geproportioneerde exemplaren van den menschelijken soort, en riep hen voor Zijn Vurig Aangezicht. Eén der exemplaren was vrouwelijk, het andere mannelijk van geslacht. Zij waren De Eersten.
- En God sprak tot hen: “Menschen. Luistert goed naar Mijn Woorden. In Mijn onmetelijke en immer uitdijende Wijsheid en Goedheid heb ik besloten u de Gave der Spraak te verlenen, opdat u met Mij kunt keuvelen. Onder het keuvelen Roken wij, want dat herinnert u en Mij aan ons Verbond. Want gij zijt geschapen uit Rook, Vuur en As, en gij zult terugkeren naar Rook, Vuur en As”.
- En God vervolgde: “Als eerste geef Ik u de Gave der Spraak”. En Hij sprak tot den man: “Spreekt!”. En den man sprak: “Jawel God. Dank U”.
- En God sprak tot den vrouw: “Spreekt!”, maar den vrouw was afgeleid door den man die zijn nieuwe gave direct gebruikte om een romantisch treffen te regelen met den vrouw. God herhaalde: “Spreekt, vrouw!”. Maar de vrouw, daar zij den Gift der Spraak nog niet had ontvangen, was volledig over den rooie vanwege de onbegrijpelijke klankenvloed die den man over haar uitstortte, en bleef afgeleid. Zij antwoordde niet.
- En het geschiedde dat God bulderde met Groten Stem, den man overstijgend: “Vrouw, Ik beveel u: spreekt!”.
- En de vrouw sprak: “Dank U, o Goede Heer, voor deze Gave, want het was zeer vervelend om te duiden hoe ik mij voelde, maar daarvoor geen woorden had. Emoties zijn moeilijk uit te drukken zonder woorden. Ik dacht gisteren nog, ik dacht, die emoties, dacht ik, waar zijn die nu eigenlijk voor, dacht ik. Maar nu begrijp ik het volkomen Heer, U had een plan. Dank u Heer. U heeft het hier leuk ingericht. Lekker licht, ook”.
- En God besefte den kracht van Zijn woord. Zijn Gave was aan den vrouw driemaal gegeven. Het is op vanaf dezen dag geweest, dat den vrouw meer spreekt dan den man.
- God besefte ook den kracht van den vrouw. Zij hoort alles, ook al lijkt ze het niet te horen.
- Hierin ziet de Gelovige de Waarheid van het hier aan u ontvouwene, het in deze Visioenen der Kringelende Rook aan den mensch geopenbaarde, is toetschbaar door de wereld waarin wij wonen. Door God geschapen, Prijst Hem!
- En God gaf Den Eersten Zijn Teekenen van het Verbond. Hij leerde Den Eersten het Edele vak van het Verbouwen der Geurige Grondstoffen der Rookartikelen, en het maken van Vuur zodat het Verbond tussen God en den menschen op gezette tijden herdacht en ge-eerd zou kunnen worden.
- En God zond De Eersten herwaartsch.
- Maar den ijzigen Duivel, dien snoodaard, begeerde des menschen openingen om daarin zijn ijzige zaad te zaaien. Vanuit het hoge Noorden blies hij met zijn blasfemisch koude adem de wateren tot ijs.
- En de grootgeslurfden met de harige bruine vachten en de lange, kromme tanden werden uit het Noorden verdreven, en zij vluchtten met grote vreze naar het warme Zuiden, alwaar de Eersten, hun kinderen, en hun kindskinderen rijkgevulde Plantages uit de As deden ontspruiten.
- En de Kuddes vluchtten voor het oprukkende ijs, en vertrapten de Plantages, en al wie erop arbeidde. En zo geschiedde het, dat Gods Wetten verloren gingen onder de kolossale poten van de Mammoeten, en Gods Heilige Kennis verloren ging. En den mensch week uit over heel de aarde, en rouwde om het verlies van Gods Wetten. En de kuddes vluchtten over het Noordelijk halfrond der aarde, maar verzwolgen door des Satans ijs.
- Voorwaar zondaren, ziet hier de waarachtigheid van dit relaas! De stille getuigen van deze verstrooiing liggen stijfbevroren wachtend in de permafrost. Wie kent niet deze getuigen? Wie heeft niet gehoord van de tanden, de botten, ja, den geheelen lichamen der ongelukkigen geslurfden, die als door een wonder uit de grond worden hervonden?
- Ziehier de tekenen des tijds, ongelovigen, en bekeert u!
- Ziehier de tekenen des Hoops, gelovigen, en Prijst Hem in de Drie-eenheid van Rook, Vuur en As!