Richard II
Den eersten Schepping, Gods Toorn
- En het geschiedde, dat het leven op den aarde ontwikkelde. Zijn schepselen groeiden en leerden. Ja, zij leerden vanuit den aardsche wateren te kruipen, eerst op hun buik, later met pootjes voorzichtig den eersten stapjes zettend op het land. En zij hadden schubben, gespleten tongen en spuugden Vuur. Groot in aantal waren zij, en zij broedden hun kroost in kalkschalen. Zij kropen hongerig uit hun schalen, en zij bleven hun gehele leven gedreven door de honger.
- En zij vermenigvuldigden, en bevolkten Gods aarde. Maar zij vraten elkander op, daar geen van hen Gods Vuur gebruikte om brood te bakken.
- En God raakte met toorn vervuld. God kookte over van gramschap. En om zijn omnipresentie aan den beschubde wezens te tonen, zond God het Vuur door de schachten en spelonken der aarde, en de bergen spuwden Vuur, en de aarde Rookte.
- En God daalde neder op den aarde, en zetelde tussen Zijn schepselen. Hij sprak met zijn schepselen, zeggende: “Aanschouwt met grote vrezen de tekenen van mijn aanwezigheid op aarde!”. En God wees naar den spelonken en schachten der aarde, waaruit hij Zijn Vuur liet stromen. En de Rook uit dit Vuur steeg ten Hemel, en de As maakte de aarde vruchtbaar, opdat Zijn schepselen voedsel verbouwden, en elkander niet zouden verscheuren tot soepvlees, en elkanders ingewanden zouden laten zitten op de plaats zoals God die gewezen had.
- “Dit is Mijn As”, sprak God tot Zijn schepselen. “Gaat heen, leeft naast elkander in vrede op den flanken Mijner Vulkaan, en plant peerenbomen, en poot piepers. Vreet elkander niet op, want daar heb Ik al die moeite niet voor gedaan”, sprak Hij met Donderende Stem. “Aanschouwt het Teken van Mijn Belofte. Ik zal den bergen Vuur doen spugen, en het zal rommelen in de buik der aarde. Op het As dat nederdaalt, kunt u uw spijzen verbouwen, zodat uw buiken niet rommelen als de aarde”.
- Maar zij waren horende doof, en ziende blind. En God’s Hart werd met verdriet vervuld. Zijn schepselen volhardden in hun Goddeloos gedrag.
- En wederom God ontstak in toorn, en ditmaal waren den raapen gaar. Hij nam van Zijn Eeuwig uitdijend Vuur, en smeedde het samen, en zond het met grote snelheid naar den aarde.
- En het Vuur viel ter aarde, en het verzengde alles wat het op Zijn pad vond. De goddeloze schepselen werden van het aangezicht der aarde weggevaagd, en de wereld hulde zich in het duister. En alles wat zich in het duister bevond, overleefde den nacht niet.
- De zondige schepselen worden in het grote middenrijk, daar waar de mensen klein en geel zijn en turen door den kieren hunner oogleden, nog immer vereerd als draken. Opdat den lezer weet dat het door God getoonde in de Visioenen van de Rook, Waarachtig is.
- En de resten van de schepselen worden ten heden opgegraven, en hun botten tonen ons hun grootte. Opdat den Mensch beseft wat zijn lot zal zijn, mocht hij volharden in zijn Godslasterlijke levensstijl.
- En de schepselen zijn gevangen in steen, en worden ten heden door den mensch gevonden. Den mensch stelt de versteende geschubden ten toon, maar hij begrijpt het niet. Slechts enkelen uitverkoorenen op deze aarde dienen Hun Maker op de door Hem gewenschte wijze, door hem te eren met Rook, Vuur en As, zoals hij het verlangde van de geschubden, maar dit ter hunner ondergang vernietiging weigerden.
- Want voorwaar, zondaar, wee hen die het den Gelovige belet zijn Goede God te dienen door Rook, Vuur en As, zij zullen afdalen in het ijzige koude. Alwaar den Grote Verleider, Den Bevriezer, met zijnen ijzigen adem hun onzalige namen één voor één afroepen zal.
- En hij zal hen tot zich nemen als zijn bruid, en hij zal den zondaar onteren met zijn ijzig lid, in alle openingen die het sterfelijk lichaam rijk is. Hij zal den lichaamswarmte afnemen, en hij zal zijnen climax uitstuwen in des zondaars holten, en dezen zullen dichtvriezen. Hoedt u, zondaar, voor dit rijk van den ijzige Satan, daar waar het eeuwig rookverbod heerscht, en waar den huid rond uw holten zal openbarsten door bevriezing .
- Alzo heeft Onzen Goede God het geopenbaard.