E-mailadres: info@rokerskerk.nl
Postadres: Postbus 3977 1001 AT Amsterdam
Telefoon: 084 - 83 64 344
Fax: 084 - 83 64 344
welkom | over de kerk | inspiratie | statuten | lid worden | BELGIE ONDER VUUR | contact

Richard I

Den Beginne, daarvoor en daarna


  1. In den Beginne was het stilletjes en rustig. Duizenden, zo niet miljoenen eonen kropen voorbij, want er waren geenszins zonnen, manen en ronddraaiende planeten om maanden, dagen en jaren aan af te meten.
  2. Om nu te zeggen dat er helemaal niets was, zoals eenen grote leegte, of eenen  uitgestrekte eeuwige singulariteit die de stilte en de rust veroorzaakte, gaat ook weer te ver, want er was welzeker Iets, waar niets omheen kon.
  3. Want, gij mensch, gij moet weten dat in den Beginne alles, ja het alomvattende alles, van zwart tot wit, van heet tot koud, van spijkerschrift tot terabytes en van buitenstebinnen tot voor zessen klaar reeds doordacht was in den Geest ons aller Goede God.
  4. En God was Geest, en den Geest was in onzen God. Allemachtig, wat was den Geest in onzen God!
  5. Den tijd dat God reeds was in het stille rustige niets, en ons heelal nog slechts in den Geest van God bestond, was, wat in den rauwe volksmond genoemd wordt, eeuwig. Dit heeft weinig te maken met eeuwen, want dat zijn honderd zonsomwentelingen van den planeet waarop wij wonen, en die getuigde in absentisme. In feite is het dus lulkoek om naar Gods bestaan te verwijzen met eenen afgeleide van den tijdsconceptie ‘eeuw’. Maar God heeft besloten het niet te ingewikkeld te maken, en zich in zijn Openbaringen te schikken naar de linguïstische eb die plaatsvindt op de stranden der taal.
  6. Eeuwig dus was onzen Goede God, maar omdat den term ‘eeuwig’ is vervuild door kleinverstandelijke tijdsconcepties en de sturende woordenschat der dwaalreligies, heeft het onzen Goede God behaagd dit te omschrijven als: Lang, zeer lang. Zonder einde, eindeloos. Eindeloosheid zegt dat wanneer het einde logischerwijs volgt op het voorgaand beleefde, het einde zich niet aandient, en het voorgaand beleefde eenen doorstart maakt. Dat betekent dus eenen breuk met den menschelijke logica; alles heeft bij den mensch een einde. Dat onderscheidt den Goede God dus van den mensch. Hij bezit als enige in dit universum het recht zijn eigen logica te voeren, en volgens deze logica is er dus geen einde aan iets wat noodzakelijkerwijs tot een einde lijdt. En daaruitvolgend dus ook geen begin.
  7. En daarom is Hij God. Hij begrijpt de eindeloosheid, het Altijd-zijn, en wij menschen zijn slechts prutschers in ons streven naar een lang en gezond leven. In Zijn Ogen is dit streven eenen futiele bezigheid: het nutteloos rekken van niets blijft niets in Zijn Ogen.
  8. Daarom zijn wij Hem eer en vrees verschuldigd. Hij is den Goede en Eeuwige God, met het monopolie op den eenige Goddelijke logica. Den mensch daarentegen formuleert zijn eigen logica. Dat den mensch hierin weinig succesvol is, bewijst den puinzooi waarin deze planeet, Gods prachtige creatie vol door de natuur gegeven heerlijkheden als de blote vrouwenzomerbeenen, onversneden Rookartikelen en liberaal kapitalisme, zich in begeeft.
  9. En God bulderde: “Er zij Vuur!”, en er was Vuur. Er was een verschrikkelijk Vuur, groter dan tot dan toe gekend in den Beginne. Den Beginne was tot het Groot Moment van het Scheppen van Vuur een steriele omgeving. Vele zondaars, die tegen Gods Regels ingaan, zouden zich welbevinden in deze steriele omgeving. Namen heeft God in de Visioenen niet genoemd. Gezichten wel getoond. Steriele, apathische vreugdelooze uitdrukkingen.
  10. En het Vuur dat God ontketende, bracht Licht. In dit Licht ontwaarde hij een Heelal, uitdijend door de kracht van Zijn Woord, gedreven door de Hitte van Zijn Vuur.
  11. En God zeide: “Vele dwalers zullen mijn schepping verklaren middels oeverloos gelul over zes dagen arbeid, shakra’s, incarnaties en dergelijke onverklaarbaarheden. Zand zei dit, uitgestrooid in den ogen der dwaalgelovigen, opdat zij in slaap sussen. De Ware Gelovigen zulen mijn werk kunnen verifiëren. Op eenen goeden tijd zullen den Waren Gelovigen met gebruikmaking van hun eigen drang tot weten kunnen bevestigen dat mijn heelal, ontsproten uit mijnen wensch tot Vuur, immer zal uitdijen. Immer uitdijen zal het. Het is mijn Wil.”
  12. Ziehier de kracht van Gods logica. Hij heeft Gelijk gekregen.
  13. En ziehier de zwakte van den menschelijke logica: Hoe lang heeft den mensch op de aarde op handen en voeten moeten rondzwalken? Hoe lang heeft den mensch rauwe sabeltandtijger, mammoet en rauwe peen tussen zijn tanden moeten vermalen en tot kokhalschen toe moeten vreten en wegslikken?  Hoe lang is ’s menschen immer kwetschbare stoelgang hierdoor tot bloedensch toe van slag geweest? Hoe lang heeft den mensch in zonden moeten leven, omdat hij zijn Rokertjes had klaarliggen, maar omdat het Vuur nog niet was uitgevonden deze niet kon aansteken, dus in het Gebed niet kon volharden? Eenig idee hoe den mensch destijdsch toe was aan een Rokertje, na alle stressch van het vreeten van rauwe sabeltandtijger en mammoet, het vangen van deze maaltijden niet eensch genoemd? Want den mensch heeft generaties trieste vuurloze onwetenden moeten verspillen alvorens één doortastende Homo Erectus tot den gedachte kwam het Vuur, door God ruimhartig en herhaaldelijk aangereikt door den Bliksem, te cultiveren. Ziedaar ’s menschen zwalkende logica.
  14. En na het Vuur, nam God rust.
  15. En terwijl God rustte, ontsproten uit zijn Vuur den sterren, den zonnen, den planeten en den asteroïdengordels. En God bedacht eenen Plan.
  16. Want God was al eeuwig God, en dat is eenen lange tijd. God kreeg behoefte aan aanspraak. Onzen Goeden God, Groot is hij van Naam en Daad, vond dat den tijd daar was het leven in Zijn Gedachten te maken tot het leven buiten Zijn Gedachten
  17. En in Zijn heelal van zonnen, manen en planeten ging God op zoek naar een planeet waarvan hij dacht: “Daar gaat leven zijn”. En God selecteerde eenen middelgrote planeet waarvan Hij zag dat bijna alle essentiële bouwstoffen voor Zijn leven reeds aanwezig waren: koolstof, waterstof en zuurstof. En God zeide: “Deze planeet is Aarde geheeten”
  18. En God nam een handvol uit zijn immer uitdijend Vuur, en stortte dit uit over den aarde. En God blies met zijn Goddelijke Adem de aminozuren in het Vuur, en wierp het ter Aarde. Het Vuur kwam uit den Hemel over den aarde als een ster met eenen staart van Rook.
  19. Maar in zijn Geestdrift en Passie gooide God lichtelijk harder dan bedoeld was, en Zijn Vuur landde te hard op den planeet. Den planeet vatte vlam, en een ring van As omcirkelde den planeet. Den planeet zelf kantelde, en kwam scheef te staan ten opzichte van haar zon.
  20. De As die rond den planeet cirkelde, klonterde samen, en de Maan werd geboren. De planeet werd hierdoor aan getijden onderhevig, en de kanteling van de planeet veroorzaakte een viertal seizoenen, wat het goedje dat was ontstaan door Gods Vuur, een Verbinding van koolstof, waterstof en aminozuren, in een rustig en goed gedijend ritme bracht. Het aardsch bestaan lag hiermede in Gods couveuse.
  21. En Gods zon scheen op de oceanen, en het water rees op naar de lucht. En het vloeibare, Vurige binnenste der aarde steeg op door de schachten en spleten in de mantel der aarde, en zij spuwden Vuur en As. En de As mengde zich met zuurstof, en vormde Rook.
  22. En de Rook koelde de aarde af, en het water dat in de lucht was, viel neder. En onder deze deken omhelsden de aminozuren, het koolstof en het waterstof elkaar in een innige trouwbetuiging. En het leven zoals God het bedoeld had, kwam voort uit deze liefde onder de warme deken van de Rook, gebracht door het Vuur, en de aarde was de kraamkamer van het leven.
  23. En God dacht: “Dat heb ik mooi voor mekaar”.
  24. Alzo heeft Onze Goede God het geopenbaard.
  25. Zij die oren hebben om te horen, die horen. Zij die ogen hebben om te lezen, die begrijpen. Zij die longen hebben om te Roken, Roker ter meerdere eer en glorie van onzen Schepper en Zijn creatie.